Petruskerk

 Hoofdweg 41,  Wagenborgen

Programma Open Monumentendag:

 Tentoonstelling “Van oud naar nieuw” met Avondmaalszilver

 Regelmatig orgelspel

 Open van 10 tot 17 uur


De kerk van Wagenborgen is in 1883 gebouwd ter vervanging van een in 1828, gewijzigde  middeleeuwse kerk met vrijstaand klokkenhuis. Het is een zaalkerk, een zogenaamde Waterstaatskerk met een toren aan de westzijde.

Uit de oude kerk is de preekstoel uit 1661 overgebleven; de trap en het onderstuk zijn veranderd. De kuippanelen zijn gevat in getorste zuiltjes. In het fries zijn cartouches aangebracht, waarop vermeld staat:  “ Berent Berents tot Groningen Aº 1661. Berent Berents is de maker”.

Voor de toren ligt een grafzerk, die oorspronkelijk in het koor van de oude kerk heeft gelegen.  Dit blijkt uit de tekst op de zerk.

Volgens Pathuis (“Gron. Gedenkwaardigheden”) staat op de zerk:

“Berend ten Have, in leven  predikant in de gemeente te Wagenborgen, overleden den 11 maart 1789 en in 't Choor der kerk ter aarde bestelt, oud 55 jaren en 7 maanden, nadat hy ruim 28 jaren het evangelium te dezer plaatse had verkondigt”.

Het grafschrift luidt:

“ O dood, O nare dood, moest hy ook voor u bukken?

Het hoofd van deze kerk, dien komt gij weg te rukken.

Hier ligt een gulden mond, gesloten door den dood.

O onverwachte slag, die onze rouw vergroot

en Wagenborgen mogt hem eeren en Vriescheloo kwam hem begeren,

dog God nam hem in Abrams schoot”.



Berend ten Have was predikant in Wagenborgen van 1761 tot aan zijn overlijden. De kerk bezit ook een avondmaalsbeker uit 1704; volgens het zilvermerk gemaakt door Johannes Dronrijp uit Groningen. Op de beker staat een pelikaan met drie jongen. Het symbool voor de dood van Christus die de weg is naar het leven.

De tekst erop luidt:

“Nachtmaalbeker der gemeinte van Wagenburgen, gemaakt in 't jaar onses H. 1704  als Herman Dronryp pastoor, Reint Oomkes en Peter Berents ouderlingen, Gosen Jans en Gyze Kornelis Diakenen waren”.

Ziet 's Hemels Pelikaan, hy voedt zyn jongen met zyn eigen bloet, al most hy 't zelv besterven, als zy maar 't leven erven”.